
Cantate BWV 187 behoort tot de groep ‘Meininger cantates’. Dit zijn cantates geïnspireerd door een aantal cantates van Bachs achterneef Johann Ludwig Bach (die Kapellmeister was in Meiningen).
Bach heeft voor zijn cantates dezelfde structuur aangehouden als deze achterneef; ze bestaan uit twee delen: een oudtestamentische en een nieuwtestamentische Bijbeltekst, elk gevolgd door een recitatief en een aria. De delen worden gescheiden uitgevoerd; de ene helft vóór de prediking en de andere helft erna.
Het is een blijmoedige cantate, geschreven voor de zevende zondag na Trinitatis, 4 augustus 1726. De bijbehorende evangelielezing gaat over het wonder van de broden en de vissen; hoe Jezus met slechts zeven broden en een paar vissen een hele menigte te eten geeft. Deze tekst komt niet rechtstreeks terug in de cantate, maar alle teksten prijzen de vruchtbaarheid van de aarde en zeggen ons dat we erop moeten vertrouwen dat God voor ons zal zorgen. Dit wordt nog samengevat in het slotkoraal. Hiervoor gebruikt Bach twee verzen van een lied van Hans Vogel; het eerste couplet bezingt de rijkdom van de schepping, het tweede de dankbaarheid van de gelovige.
Blijkbaar was Bach zelf zeer tevreden met de muziek van deze cantate. Hij heeft alle geschikte delen later gebruikt voor zijn Mis in g-klein, BWV 235.
Het koor zal ook een stuk zingen van Johann Schein (1586-1630): “Lehre uns bedenken”. Johann Hermann Schein was cantor van de Thomaskirche in Leipzig, een voorganger van Bach. Samen met de componisten Heinrich Schütz en Samuel Scheidt wordt hij gerekend tot de drie belangrijkste componisten van Duitse protestantse kerkmuziek uit de eerste helft van de zeventiende eeuw.
Voorganger is ds. Helène van Noord.
Wietse Meinardi bespeelt het kistorgel en het hoofdorgel.
Vocale solisten zijn: Clarisse Planchais (sopraan), Eske Tibben (alt) en Harmen Severiens (bas).
De toegang is gratis,; de uitgangscollecte wordt van harte aanbevolen.