
Cantate 139 is een koraalcantate die Bach in 1724 heeft geschreven in Leipzig. De cantate is gebaseerd op het lied Wohl dem, der sich auf seinen Gott recht kindlich kann verlassen van Johann Christoph Rube. Het thema van de cantate is dan ook het vertrouwen op God. In alle zes delen van de cantate klinkt de overtuiging door dat God zijn gelovigen nabij is, hen ondersteunt in moeilijke tijden en een betrouwbare vriend en helper is.
De cantate begint met een openingskoor, waarin de sopraan de koraalmelodie vertolkt, ondersteund door de andere stemmen. Deze opbouw is typerend voor Bachs koraalcantates.
De vijf coupletten van Rubes lied zijn verwerkt in vijf delen van de cantate; daarnaast is een alt-recitatief toegevoegd dat aansluit bij de evangelielezing van de dag (Matteüs 22:15-22). Daarin reageren Jezus en de farizeeën op de vraag of men belasting aan de keizer moet betalen. Met zijn antwoord weet Jezus de strikvraag op meesterlijke wijze te ontwijken.
Als je je afvraagt hoe Bach had geklonken als hij ooit opera had geschreven, is de aria van de bas een mooi voorbeeld. Bach weet de tekst zeer dramatisch uit te beelden. De solist beschrijft zijn tegenslagen en laat horen hoe God hem te hulp komt. Door tempowisselingen in de aria worden de gevoelens van droefheid en vreugde uitgebeeld.
Naast de cantate zal het koor ook het dubbelkorige rouwmotet Dem Menschen ist gesetzt einmal zu sterben van Johann Michael Bach uitvoeren. Deze componist maakte deel uit van de omvangrijke Bach-familie en was de vader van Maria Barbara Bach, de eerste vrouw van Johann Sebastian Bach.
Voorganger is ds. Helène van Noord.
Wietse Meinardi bespeelt het kistorgel en het hoofdorgel. Vocale solisten zijn: Lysanne van der Heiden (sopraan), Henrieke Ensing (alt), Diede van de Velde (tenor) en Jussi Lehtipuu (bas).
De toegang is gratis, er is wel een uitgangscollecte die van harte wordt aanbevolen.